Ouwegem

Naamgeving

Aldingaheim (830), Aldengem (1019-1030), Oudengem (1123).
Gaat terug op het Germaanse Aldinga-heim, woning van de lieden van Aldo.

Oppervlakte

601 ha

Geschiedenis

Archeologische vondsten, onder andere medailles van Trajanus (Romeins Keizer van 98 tot 117 na Christus), wijzen op een bewoning lang voor de eerste vermelding van de naam in 830. Het dorp telde, naast de dorpsheerlijkheid, diverse heerlijkheden en lenen.
In de Frankische periode valt de overvloed van 'inga+heim'-toponiemen op, wat wijst op een intensieve bewoning van naast elkaar liggende nederzettingen (nog terug te vinden op stafkaarten).
Bekend zijn de lieden van Aldo (Ouwegem), van Lando (Landegem), van Bertho (Beertegem), van Mathlo (Maldegem) en van Bodahari (Boeregem). Enkel Ouwegem groeide uit tot een dorpsheerlijkheid.

Mannen en hun clannen 

Na de terugtrekking van de Noormannen kwam een periode van machtsverdeling en waren de Scheldeheren van Pamele-Oudenaarde, de heren van Gavere en de graaf betrokken bij de landinname in het dorp. Dit gebeurde ook in Wortegem-Moregem en Nokere. In Ouwegem was nog een vierde clan 'de heren van Rode' bij de grondverwerving betrokken. De goederen van het dorp hingen af van het huis van Gavere, de Stenen Man (grafelijk leenhof) en van de baronie van Pamele-Oudenaarde.
In 1460 was Ouwegem een der lenen, die afhingen van Gavere. Begin 16e eeuw was Boudewijn van Maldegem heer van Ouwegem en in 1521 wordt Nicolaas II Triest, ridder en schepen van Gent, als heer aangeduid. Deze Gentse familie bleef anderhalve eeuw eigenaar van Ouwegem. Anton Triest, bisschop van Brugge (1617), 'beschermer van kunsten en letteren en vader van armen' zou in 1586 op het vroegere kasteel van Ouwegem geboren zijn (grafmonument in Sint-Baafs). In 1628 werd de heerlijkheid tot baronie verheven.

Textiel

De tweede helft van de 16e eeuw was op demografisch vlak een bijzonder rampzalige periode: in 1567 telde Ouwegem 258 gezinnen, in 1600 nog slechts 73 als gevolg van pestepidemieën, hongersnood en oorlogen.

Naast de landbouw ontwikkelde zich in Ouwegem ook een intense linnennijverheid. In 1766 werkten er op 189 huizen 143 weefgetouwen. In de 19e eeuw volgde een omschakeling naar kant, wolweverij en houtzagerij. Het dorp kwam makkelijk over de plattelandscrisis heen en ook na de ondergang van de lijnwaadnijverheid bleef er enige textielindustrie (kleding, breigoed, katoen).