Zingem

Naamgeving

Siggingaheim (885), Sicqingahem (963), Siggengem (1019-1030), Sinchem (1121). 
Gaat terug op de Germaanse nederzettingen: Sigginga-heim, woning van de lieden van Siggo, die zich vestigden op de zachte helling van de linker Scheldevallei. 

Oppervlakte

813 ha

Geschiedenis

In 1861 werd een Romeinse muntschat uit 262 na Christus gevonden, meteen de oudste archeologische vondst. Op het einde van de 20e eeuw werd bij verbouwingswerken in de Pulmstraat een middeleeuwse goud- en zilverschat (eveneens munten) gevonden (vandaag te bezichtigen in het provinciaal museum te Ename).

Zingem en Asper vormden sinds 1300 een heerlijkheid. Samen vormden ze een hoogpointerij van de kasselrij Oudenaarde. Andere heerlijkheden waren Sint-Pieters, Sint-Baafs, ten Hulle, 't Isseghem, Walem, Steenbeke, ten Hove, ten Heede, ten Speelt, Beemt, Caneghem en de twee Voordes.

Van de 14e eeuw tot 1626 behoorde Zingem bij het graafschap Vlaanderen. In de 17e eeuw werd de heerlijkheid verpand aan de familie Roisin en in 1628 aan de familie van der Meeren om vervolgens door aankoop en erfenis - samen met Axelwalle (op Zingem, Heurne en Mullem) - van 1667 tot 1789 bezit te worden van de familie Van Hoobrouck, schepenen en schatbewaarders van Gent. De familie Amelot speelde sinds de 18e eeuw, als ambtenaren van de Hoobroucks en later als burgemeesters, een leidende rol.

Het fijnste lijnwaad van de streek

Economisch en demografisch ging het de streek niet altijd voor de wind. Landbouw en veeteelt speelden altijd een grote rol op de wijdse Scheldemeersen, maar vooral de linnennijverheid tekende eeuwenlang het economisch leven. In 1586 was de gemeente echter zo goed als ontvolkt. In 1698 werd niet eens het bevolkingscijfer van 250 jaar tevoren gehaald (1.069). De grote demografische expansie situeerde zich vooral in de tweede helft van de 18e eeuw, tegelijk met die van de lijnwaadnijverheid. Asper en Zingem brachten het fijnste lijnwaad van de streek voort en in 1766 telden ze 262 weefgetouwen.

Dorp in beweging

De steenweg Oudenaarde-Gent was toen ook voltooid en eind 18e eeuw werd de grote landdijk aangelegd. In de 19e eeuw nam de bevolking trager toe. De zware plattelandscrisis deed de bevolking op een tiental jaren met 500 eenheden teruglopen. Tevens was er een intense omschakeling naar bestaande vervangingsnijverheden: de mandenmakerij en haar afleidingen en de steenbakkerijen (tot 1960). Betere verbindingswegen (Kruishoutem-Nederzwalm) en vooral de aanleg van de spoorweg in 1857 beïnvloedden de evolutie van de gemeente.
Zingem werd een uitgesproken pendeldorp en de landbouwarbeid kende een enorme terugval.